Inhoud |
mainframe is een zeer grote computer, waar honderden tot duizenden gebruikers gelijktijdig op kunnen werken. Vaak wordt een mainframe bij een groot bedrijf ingezet voor het werk aan een enkele applicatie, zoals transactieverwerking bij een bank, waarvoor de gebruikers aan het mainframe worden verbonden via een simpele applicatie op een bureaucomputer (vroeger ook wel via een zogenaamde domme terminal).
De eerste mainframes stammen uit de jaren 50. In die tijd werden opdrachten nog via ponskaarten ingevoerd. In het midden van de jaren 60 werd het mogelijk om deze te laten multitasken. In de jaren 70 werd de monitor toegevoegd. Hierdoor was een meer interactieve werkwijze mogelijk. In de jaren 90 kregen de mainframes steeds meer concurrentie van de PC. Destijds werd zelfs verwacht dat de mainframe helemaal zou verdwijnen. Rond de eeuwwisseling begon de vraag echter weer toe te nemen.
De term mainframe is waarschijnlijk afgeleid van de grote metalen bekistingen waarin de computers geplaatst waren. De benaming werd ingevoerd toen in de jaren 70 kleinere computers beschikbaar kwamen zoals de PDP van DEC. Deze nieuwe computers werden toen minicomputers genoemd.
De bekendste bouwer van mainframes zijn IBM en UNISYS. Deze beheersen 90% van de markt. Andere bedrijven die actief zijn op deze markt zijn Bull, Fujitsu en Hitachi.
Men moet een mainframe niet verwarren met een supercomputer. Beide hebben een grote verwerkingscapaciteit, maar bij supercomputers is die vooral gericht op piekprestaties op het gebied van berekeningen, terwijl een mainframe wordt gekenmerkt door optimalisatie van I/O operaties en betrouwbaarheid. Een supercomputer is bijvoorbeeld geschikt voor het doorberekenen van complexe simulaties terwijl een mainframe de transacties van een bank verwerkt. Een mainframe kan jarenlang storingsvrij doorwerken en service kan worden verricht terwijl het systeem doordraait.
Ooit waren mainframes de enige computers die bedrijven ter beschikking hadden. Ruim dertig jaar later blijken deze dinosaurussen nog springlevend. Maar ze in een nieuw jasje steken, is niet altijd zonder gevaar.
Vraag maar eens aan tien mensen waar ze spontaan aan denken als u het woord mainframe uitspreekt. De kans is groot dat meer dan de helft iets antwoordt in de trant van 'oud', 'verouderd' of 'aan vernieuwing toe'. Dat is natuurlijk niet verwonderlijk. Het mainframe heeft al een lange geschiedenis achter de rug.
Rond 1960 staken de eerste mainframes de kop op, en tot ver in de jaren zeventig waren mainframes zowat de referentie voor bedrijfscomputers. Pas toen de pc zijn intrede deed, werden vragen gesteld bij het mainframe. Steeds luider klonk de vraag naar decentrale controle over de bedrijfsgegevens en over de systemen waarop deze gegevens draaiden.
De groene schermen van de terminals werden vervangen door kleurenschermen en later ook interactieve vensters op de pc's. Mainframes werden steeds meer beschouwd als de oudere generatie. Bedrijven begonnen te kiezen voor Unix-servers en later zelfs Windows-servers. Rond 1990 al waren er niet veel analisten die nog geld durfden te verwedden op de toekomst van het mainframe.
Nu, ongeveer vijftien jaar later, kunnen we vaststellen dat het mainframe nog steeds springlevend is. Sterker nog: dat we nog lang niet zónder kunnen. Volgens de Aberdeen Group draait maar liefst zeventig procent van 's werelds bedrijfskritieke toepassingen en gegevens nog steeds op mainframes, en bedraagt de gezamenlijke waarde van alle mainframetoepassingen twee biljoen (ofwel tweeduizend miljard) dollar. Niet slecht voor een uitstervend ras.
Even wat cijfers. IBM en UNISYS, intussen vrijwel de enig overgebleven mainframeleveranciers, zagen het aantal verkochte mainframes tussen 2000 en 2004 zowaar verdubbelen. En Big Blue gelooft duidelijk in de toekomst van zijn zogeheten verouderde platform. Zo investeerde het bedrijf ruim een miljard dollar in de ontwikkeling van de nieuwe generatie mainframes, de z9.
Als klap op de vuurpijl kwam onlangs het bericht dat IBM zelf aan een grootscheepse migratie begint: 3.900 servers zullen worden vervangen door amper dertig mainframes. Alleen al aan elektriciteit zou dit een besparing ter grootte van de energievoorziening voor een kleine stad moeten opleveren. Maar deze migratie zorgt uiteraard ook voor een enorme besparing op beheerskosten en zelfs op licentiekosten voor nieuwe software. Aangezien het aantal processoren drastisch zal dalen, daalt immers ook de prijs van nieuwe pakketten, die vaak per processor wordt berekend.